Jaarrekening 2019

Balans

Balans (na resultaatsbestemming) per 31 december 2019

Alle bedragen x € 1.000

Balans (na resultaatsbestemming) per 31 december 2019
      31-12-2019   31-12-2018
           
1 Activa        
           
  Vaste activa        
1.2 Materiële vaste activa   12.399   11.617
           
  Vlottende activa        
1.4 Voorraden 18   19  
1.4 Onderhanden projecten 29   72  
1.5 Vorderingen 677   724  
1.7 Liquide middelen 4.512   4.746  
           
      5.236   5.561
           
  Totaal activa   17.635   17.178
           
2 Passiva        
           
2.1 Eigen vermogen   5.823   5.768
           
2.2 Voorzieningen   804   1.200
           
2.3 Langlopende schulden   6.947   6.384
           
2.4 Kortlopende schulden   4.061   3.826
           
  Totaal passiva   17.635   17.178

Staat van baten en lasten

Staat van baten en lasten over 2019

Alle bedragen x € 1.000

Staat van baten en lasten over 2019
    2019 Begroting 2019 2018
         
3 Baten      
         
3.1 Rijksbijdragen 12.121 11.727 12.066
3.3 Collegegelden 2.690 3.044 2.690
3.4 Baten werk in opdracht van derden 1.335 1.275 1253
3.5 Overige baten 502 257 422
         
  Totaal baten 16.648 16.303 16.431
         
4 Lasten      
         
4.1 Personeelslasten 12.650 12.114 12.412
4.2 Afschrijvingen 1056 1074 759
4.3 Huisvestingslasten 713 735 873
4.4 Overige lasten 2.008 2.105 2.015
         
  Totaal lasten 16.427 16.028 16.059
         
  Saldo baten en lasten 221 275 372
         
5 Financiële baten en lasten ‑166 ‑187 ‑115
         
  Resultaat 55 88 257

Kasstroomoverzicht

Alle bedragen x €1.000

      2019   2018
           
  Bedrijfsresultaat   221   372
           
  Aanpassingen voor:        
4.2 Afschrijvingen 1.056   760  
2.2 Mutatie voorzieningen ‑396   309  
      660   1.069
           
  Veranderingen in vlottende middelen:        
1.4 Voorraden 44   22  
1.5 Debiteuren ‑14   42  
  Overige vorderingen 61   133  
2.4 Crediteuren 272   ‑81  
  Overige schulden ‑37   80  
      326   196
  Kasstroom uit bedrijfsoperaties   1.207   1.637
           
5.1 Rentebaten 6   6  
5.2 Rentelasten ‑172   ‑121  
      ‑166   ‑115
  Kasstroom uit operationele activiteiten   1.041   1.522
           
  Investeringen in vaste activa ‑1.838   ‑5.536  
  Kasstroom uit investeringsactiviteiten   ‑1.838   ‑5.536
           
2.3 Langlopende leningen 563   3.829  
  Kasstroom uit financieringsactiviteiten   563   3.829
           
  Mutatie geldmiddelen   ‑234   ‑185

De toename van de langlopende schuld leidt niet tot een kasstroom omdat de investeringen die hier betrekking op hebben uit het beschikbaar gestelde bouwdepot worden voldaan.

Grondslagen voor waardering activa en passiva

Verslaggevingsjaar

Het verslaggevingsjaar loopt van 1 januari tot en met 31 december.

Valuta

De jaarrekening wordt gepresenteerd in euro’s, de functionele valuta van de organisatie. Alle financiële informatie in euro’s is afgerond op het dichtstbijzijnde duizendtal.

Juridische vorm en voornaamste activiteiten

De organisatie is een stichting. De activiteiten van de instelling bestaan voornamelijk uit onderwijs. De statutaire vestigingsplaats is Zwolle. Voor nadere informatie wordt verwezen naar bijlage 1.

Toegepaste standaarden

De jaarrekening is opgesteld volgens de Regeling jaarverslaggeving onderwijs. In deze regeling is bepaald dat de bepalingen van Titel 9 Boek 2 BW en de Richtlijnen voor de Jaarverslaggeving (in het bijzonder RJ 660 Onderwijsinstellingen) van toepassing zijn, met inachtneming van de daarin aangeduide uitzonderingen.
De grondslagen die worden toegepast voor de waardering van activa en passiva en de resultaatbepaling zijn gebaseerd op historische kosten.

Continuïteit

Deze jaarrekening is opgesteld uitgaande van de continuïteitsveronderstelling.

In de balans, de staat van baten en lasten en het kasstroomoverzicht zijn referenties opgenomen. Met deze referenties wordt verwezen naar de toelichting.

Grondslagen voor de waardering van activa en passiva en de resultaatbepaling

Voor zover niet anders is vermeld worden activa en passiva opgenomen tegen nominale waarde.

Een actief wordt in de balans opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de toekomstige, economische voordelen naar de Stichting zullen toevloeien en de waarde daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld. Een verplichting wordt in de balans opgenomen wanneer het waarschijnlijk is dat de afwikkeling daarvan gepaard zal gaan met een uitstroom van middelen en de omvang van het bedrag daarvan betrouwbaar kan worden vastgesteld.

Een in de balans opgenomen actief of verplichting blijft op de balans als een transactie (met betrekking tot het actief of de verplichting) niet leidt tot een belangrijke verandering in de economische realiteit met betrekking tot het actief of de verplichting. Een actief of verplichting wordt niet langer in de balans opgenomen indien een transactie ertoe leidt dat alle of nagenoeg alle rechten op economische voordelen en alle of nagenoeg alle risico's met betrekking tot het actief of de verplichting aan een derde zijn overgedragen.

Baten worden in de staat van baten en lasten opgenomen wanneer een vermeerdering van het economisch potentieel, samenhangend met een vermeerdering van een actief of een vermindering van een verplichting, heeft plaatsgevonden, waarvan de omvang betrouwbaar kan worden vastgesteld. Lasten worden verwerkt wanneer een vermindering van het economisch potentieel, samenhangend met een vermindering van een actief of een vermeerdering van een verplichting, heeft plaatsgevonden, waarvan de omvang betrouwbaar kan worden vastgesteld.

De baten en lasten worden toegerekend aan de periode waarop zij betrekking hebben. Opbrengsten worden verantwoord indien alle belangrijke risico’s met betrekking tot de handelsgoederen zijn overgedragen aan de koper.

Gebruik van schattingen

Om de grondslagen en regels voor het opstellen van de jaarrekening te kunnen toepassen, is het nodig dat de leiding van de instelling zich over verschillende zaken een oordeel vormt, en dat de leiding schattingen maakt die essentieel kunnen zijn voor de in de jaarrekening opgenomen bedragen. Indien het voor het geven van het in art. 2:362 lid 1 BW vereiste inzicht noodzakelijk is, is de aard van deze oordelen en schattingen inclusief de bijbehorende veronderstellingen opgenomen bij de toelichting op de betreffende jaarrekeningposten.

De volgende waarderingsgrondslag is naar de mening van het management het meest kritisch voor het weergeven van de financiële positie en vereist schattingen en veronderstellingen: voorzieningen.

Materiële vaste activa

Bedrijfsgebouwen en -terreinen, inventaris, apparatuur en andere vaste activa worden gewaardeerd tegen hun kostprijs, verminderd met de cumulatieve afschrijvingen en bijzondere waardeverminderingen. De kostprijs van de genoemde activa bestaat uit de verkrijgingsprijs en overige kosten om de activa op hun plaats en in de staat te krijgen noodzakelijk voor het beoogde gebruik. Op materiële vaste bedrijfsactiva in uitvoering, alsmede vooruitbetalingen op materiële vaste activa wordt niet afgeschreven.

Subsidies op investeringen worden in mindering gebracht op de verkrijgingsprijs van de activa waarop de subsidies betrekking hebben.

De afschrijvingen worden berekend als een percentage over de aanschafprijs volgens de lineaire methode op basis van de economische levensduur. Op terreinen wordt niet afgeschreven. Afschrijving start op het moment dat een actief beschikbaar is voor het beoogde gebruik en wordt beëindigd bij buitengebruikstelling of bij desinvestering.

De volgende afschrijvingspercentages worden hierbij gehanteerd:
Gebouwen: 3,3
Groot onderhoud: 2,5-20
Verbouw: 5
Installaties: 20
Andere vaste bedrijfsmiddelen: 10-25

Onderhoudsuitgaven worden slechts geactiveerd als zij de gebruiksduur van het object verlengen en/of leiden tot toekomstige prestatie-eenheden met betrekking tot het object. De verwachte kosten van periodiek groot onderhoud aan gebouwen, installaties en dergelijke worden verwerkt in de kostprijs, middels de componentenbenadering. Hiertoe worden deze kosten als een afzonderlijk samenstellend deel van het desbetreffende actief geïdentificeerd. De desbetreffende component van het actief wordt dan afgeschreven in de periode tot aan het moment van uitvoeren van het groot onderhoud.

Buiten gebruik gestelde activa worden gewaardeerd tegen boekwaarde of lagere opbrengstwaarde.

Bijzondere waardeverminderingen van materiële vaste activa

Voor materiële vaste activa wordt op iedere balansdatum beoordeeld of er aanwijzingen zijn dat deze activa onderhevig zijn aan bijzondere waardeverminderingen. Als dergelijke indicaties aanwezig zijn, wordt de realiseerbare waarde van het actief geschat. De realiseerbare waarde is de hoogste van de bedrijfswaarde en de opbrengstwaarde. Als het niet mogelijk is de realiseerbare waarde te schatten voor een individueel actief, wordt de realiseerbare waarde bepaald van de kasstroomgenererende eenheid waartoe het actief behoort.

Wanneer de boekwaarde van een actief (of een kasstroomgenererende eenheid) hoger is dan de realiseerbare waarde, wordt een bijzonder waardeverminderingsverlies verantwoord voor het verschil tussen de boekwaarde en de realiseerbare waarde. Indien sprake is van een bijzonder waardeverminderingsverlies van een kasstroom-genererende eenheid, wordt het verlies allereerst toegerekend aan goodwill die is toegerekend aan de kasstroomgenererende eenheid. Een eventueel restant verlies wordt toegerekend aan de andere activa van de eenheid naar rato van hun boekwaarden.

Verder wordt op iedere balansdatum beoordeeld of er enige indicatie is dat een in eerdere jaren verantwoord bijzonder waardeverminderingsverlies is verminderd. Als een dergelijke indicatie aanwezig is, wordt de realiseerbare waarde van het betreffende actief (of kasstroomgenererende eenheid) geschat. Terugneming van een eerder verantwoord bijzonder waardeverminderingsverlies vindt alleen plaats als sprake is van een wijziging van de gehanteerde schattingen bij het bepalen van de realiseerbare waarde sinds de verantwoording van het laatste bijzonder waardeverminderingsverlies. In dat geval wordt de boekwaarde van het actief (of kasstroomgenererende eenheid) opgehoogd tot de geschatte realiseerbare waarde, maar niet hoger dan de boekwaarde die bepaald zou zijn (na afschrijvingen) als in voorgaande jaren geen bijzonder waardeverminderingsverlies voor het actief (of kasstroomgenererende eenheid) zou zijn verantwoord.  Een bijzonder waardeverminderingsverlies voor goodwill wordt niet teruggenomen in een volgende periode.

Voorraden

De voorraad gebruiksgoederen is gewaardeerd tegen inkoopwaarde, onder aftrek van een voorziening voor incourantheid.

Onderhanden projecten

De post onderhanden projecten bestaat uit het saldo van gerealiseerde projectkosten, toegerekende winst, verwerkte verliezen en reeds gedeclareerde termijnen.

In de waardering van onderhanden projecten worden de kosten die direct betrekking hebben op het project (zoals personeelskosten voor werknemers direct werkzaam aan het project, kosten van materialen en kosten die bij de uitvoering van het project worden gebruikt), de kosten die toerekenbaar zijn aan projectactiviteiten in het algemeen en toewijsbaar zijn aan het project en andere kosten die contractueel aan de opdrachtgever kunnen worden toegerekend, begrepen.

De toerekening van opbrengsten, kosten en winstneming op onderhanden projecten geschiedt naar rato van de verrichte prestaties bij de uitvoering van het werk (‘percentage of completion’-methode ). De  mate waarin prestaties van een onderhanden project zijn verricht wordt bepaald aan de hand van de tot de balansdatum gemaakte projectkosten in verhouding tot de geschatte totale projectkosten. Verwerking vindt plaats zodra een betrouwbare schatting kan worden gemaakt van het resultaat van een onderhanden project. 

Het resultaat van een aanneemcontract kan betrouwbaar worden ingeschat als de totale projectopbrengsten, de vereiste projectkosten om het project af te maken en de mate waarin het onderhanden project is voltooid betrouwbaar kunnen worden vastgesteld, het waarschijnlijk is dat de economische voordelen naar de vennootschap zullen toevloeien en de aan het onderhanden project toe te rekenen projectkosten duidelijk te onderscheiden zijn en op betrouwbare wijze te bepalen zijn.

Het resultaat van een regiecontract kan betrouwbaar worden ingeschat als het waarschijnlijk is dat de economische voordelen naar de vennootschap zullen toevloeien en de aan het onderhanden project toe te rekenen projectkosten duidelijk te onderscheiden zijn en op betrouwbare wijze te bepalen zijn.

Indien  het resultaat van een onderhanden project niet betrouwbaar kan worden ingeschat, worden de projectopbrengsten slechts verwerkt in de winst-en-verliesrekening tot het bedrag van de gemaakte projectkosten dat waarschijnlijk kan worden verhaald. De projectkosten worden verwerkt in de winst- en verliesrekening in de periode waarin ze zijn gemaakt .

Onder projectopbrengsten wordt verstaan de in het contract overeengekomen opbrengsten vermeerderd met eventuele opbrengsten op grond van meer- of minderwerk, claims en vergoedingen, indien en voor zover het waarschijnlijk is dat de opbrengsten zullen worden gerealiseerd en betrouwbaar kunnen worden bepaald . De projectopbrengsten worden bepaald op de reële waarde van de tegenprestaties die is of zal worden ontvangen.

Uitgaven die verband houden met projectkosten die na de balansdatum tot te verrichten prestaties leiden, worden als onderdeel van de voorraden (onderhanden werk of vooruitbetalingen)/ overlopende activa verwerkt indien het waarschijnlijk is dat ze in een volgende periode zullen leiden tot opbrengsten . Verwerking van de projectkosten in de winst- en verliesrekening vindt plaats als de prestaties in het project worden geleverd en zijn gerealiseerd. Verwachte verliezen op onderhanden projecten worden onmiddellijk in de winst- en verliesrekening verwerkt. Het bedrag van het verlies wordt bepaald ongeacht of het project reeds is aangevangen, het stadium van realisatie van het project of het bedrag aan winst dat wordt verwacht op andere, niet gerelateerde projecten.

Financiële instrumenten

Algemeen

Hogeschool Viaa maakt in de normale bedrijfsuitoefening gebruik van uiteenlopende, financiële instrumenten die de stichting blootstellen aan markt- en/of kredietrisico's. Om deze risico’s te beheersen heeft de stichting een beleid inclusief een stelsel van limieten en procedures opgesteld om de risico’s te beperken van onvoorspelbare, ongunstige ontwikkelingen op de financiële markten en daarmee de financiële prestaties van de stichting. Hogeschool Viaa handelt niet in financiële derivaten en heeft procedures en gedragslijnen om de omvang van het kredietrisico bij elke tegenpartij of markt te beperken.

Financiële activa en financiële verplichtingen worden in de balans opgenomen op het moment dat contractuele rechten of verplichtingen ten aanzien van dat instrument ontstaan. Een financieel instrument wordt niet langer in de balans opgenomen indien een transactie ertoe leidt dat alle of nagenoeg alle rechten op economische voordelen en alle of nagenoeg alle risico’s met betrekking tot de positie aan een derde zijn overgedragen. Financiële instrumenten (en afzonderlijke componenten van financiële instrumenten) worden in de geconsolideerde jaarrekening gepresenteerd in overeenstemming met de economische realiteit van de contractuele bepalingen. Presentatie vindt plaats op basis van afzonderlijke componenten van financiële instrumenten als financieel actief, financiële verplichting of als eigen vermogen.

Financiële instrumenten worden bij de eerste opname verwerkt tegen reële waarde, waarbij (dis)agio en de direct toerekenbare transactiekosten in de eerste opname worden meegenomen. Indien instrumenten bij de vervolgwaardering niet worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de staat van baten en lasten maken eventuele direct toerekenbare transactiekosten deel uit van de eerste waardering. In contracten besloten financiële instrumenten die niet worden gescheiden van het basiscontract, worden verwerkt in overeenstemming met het basiscontract.

Na de eerste opname worden financiële instrumenten op de hierna beschreven manier gewaardeerd.

De stichting ziet erop toe dat er voldoende opvraagbare tegoeden zijn om gedurende een periode van 90 dagen de verwachte operationele kosten te dekken, inclusief het voldoen aan de financiële verplichtingen. Hierin is geen rekening gehouden met het eventuele effect van extreme omstandigheden die redelijkerwijs niet kunnen worden voorspeld, zoals natuurrampen.

Saldering financiële instrumenten

Een financieel actief en een financiële verplichting worden gesaldeerd als de onderneming beschikt over een deugdelijk juridisch instrument om het financiële actief en de financiële verplichting gesaldeerd af te wikkelen en de onderneming het stellige voornemen heeft om het saldo als zodanig netto of simultaan af te wikkelen.
Als sprake is van een overdracht van een financieel actief dat niet voor verwijdering uit de balans in aanmerking komt, wordt het overgedragen actief en de daarmee samenhangende verplichting niet gesaldeerd.

Kredietrisico

Er is een beperkt kredietrisico te onderkennen; veruit de grootste debiteur (circa 70% van de omzet) is het Ministerie van OCW. De overige debiteuren zijn marktpartijen/instellingen en ouders/studenten. De omzet bij deze debiteuren is ongeveer 30% van het totaal. Om het risico voor dat deel te beperken wordt gebruikgemaakt van overeenkomsten en een strikt invorderingsbeleid.

Renterisico en kasstroomrisico

Het renterisico bestaat uit eventuele veranderingen in de marktwaarde van opgenomen leningen en (tussentijdse) rentefluctuaties. Voor vorderingen en schulden met variabel rentende renteafspraken loopt de onderneming risico ten aanzien van toekomstige kasstromen en met betrekking tot vastrentende leningen reële-waarderisico. Eind 2019 bestaan geen vorderingen of schulden met variabel rentende renteafspraken.

Liquiditeitsrisico

De onderneming bewaakt de liquiditeitspositie door middel van opvolgende liquiditeitsbegrotingen. Het management ziet erop toe dat voor de onderneming steeds voldoende liquiditeiten beschikbaar zijn om aan de verplichtingen te kunnen voldoen en dat tevens voldoende financiële ruimte beschikbaar blijft onder de beschikbare faciliteiten om steeds binnen de gestelde leningconvenanten te blijven.

Reële waarde

De reële waarde van de in de balans verantwoorde financiële instrumenten, waaronder vorderingen, liquide middelen en kortlopende schulden, is gelijk aan de boekwaarde ervan.

Vorderingen

Vorderingen worden na eerste opname gewaardeerd tegen reële waarde, na eerste verwerking worden vorderingen gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs op basis van de effectieverentemethode, verminderd met bijzondere waardeverminderingsverliezen. Voorzieningen wegens oninbaarheid worden in mindering gebracht op de boekwaarde van de vordering. De looptijd van de vorderingen is < 1 jaar.

Vorderingen waartegenover ook een schuld staat in de vorm van vooruitontvangen bedragen, zijn gesaldeerd opgenomen in de balans voor zover toegestaan.

Liquide middelen

Liquide middelen bestaan uit kas, banktegoeden en direct opeisbare deposito’s met een looptijd korter dan twaalf maanden. Rekening-courantschulden bij banken zijn opgenomen onder schulden aan kredietinstellingen onder kortlopende schulden. Liquide middelen worden gewaardeerd tegen nominale waarde. Indien liquide middelen niet ter vrije beschikking staan, wordt hiermee rekening gehouden bij de waardering. Liquide middelen die naar verwachting langer dan 12 maanden niet ter beschikking staan van de onderneming, worden gerubriceerd als financiële vaste activa.

Eigen vermogen

Het eigen vermogen bestaat uit algemene reserves en bestemmingsreserves. Hierin is tevens een segmentatie opgenomen naar publieke en private middelen.
De bestemmingsreserves zijn reserves met een beperktere bestedingsmogelijkheid, die door het bestuur is aangebracht. Er bestaat echter geen betalingsverplichting.

Voorzieningen

Een voorziening wordt in de balans opgenomen wanneer er sprake is van:

  • Een in rechte afdwingbare of feitelijke verplichting die het gevolg is van een gebeurtenis in het verleden;
  • Waarvan een betrouwbare schatting kan worden gemaakt; en
  • Het waarschijnlijk is dat voor afwikkeling van die verplichting een uitstroom van middelen nodig is.

De voorzieningen betreffen de beste schatting van de bedragen die noodzakelijk zijn om de verplichtingen per balansdatum af te wikkelen.

Voorziening spaarverlof

De voorziening wordt gewaardeerd tegen de nominale waarde van de uitgaven die naar verwachting noodzakelijk zijn om de verplichtingen af te wikkelen.

Jubileumvoorziening

De voorziening jubilea wordt opgenomen op basis van de contante waarde van de toekomstige verplichtingen en is berekend aan de hand van een inschatting van de toekomstige uitbetaling per medewerker, op basis van het aantal dienstjaren, rekening houdend met sterftekans en blijfkans, contant gemaakt tegen 2,5%.

Voorziening CAO verplichtingen vertrekkend personeel

De voorziening wordt gewaardeerd tegen de nominale waarde van de uitgaven die naar verwachting noodzakelijk zijn om de verplichtingen af te wikkelen.

Voorziening langdurig zieken

De voorziening wordt gewaardeerd tegen de nominale waarde van de uitgaven die naar verwachting noodzakelijk zijn om de verplichtingen af te wikkelen.

Voorziening duurzame inzetbaarheid

De voorziening wordt gewaardeerd tegen de nominale waarde van de uitgaven die naar verwachting noodzakelijk zijn om de verplichtingen af te wikkelen.

Voorziening werktijdvermindering senioren

De voorziening wordt gewaardeerd tegen de nominale waarde van de uitgaven die naar verwachting noodzakelijk zijn om de verplichtingen af te wikkelen.

Langlopende schulden

Langlopende schulden worden bij de eerste verwerking gewaardeerd tegen reële waarde. Transactiekosten die direct zijn toe te rekenen aan de verwerving van de langlopende schulden worden in de waardering bij eerste verwerking opgenomen. Langlopende schulden worden na eerste verwerking gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs, zijnde het ontvangen bedrag rekening houdend met agio of disagio en onder aftrek van transactiekosten.

Het verschil tussen de bepaalde boekwaarde en de uiteindelijke aflossingswaarde wordt op basis van de effectieve rente gedurende de geschatte looptijd van de schulden in de staat van baten en lasten als interestlast verwerkt.

Kortlopende schulden

Onder kortlopende schulden zijn de bedragen ondergebracht die nog betrekking hebben op het verslagjaar maar op balansdatum nog niet zijn betaald en bedragen die zijn ontvangen in of voor het verslagjaar en aan opvolgende jaren moeten worden toegekend. Kortlopende schulden worden bij de eerste verwerking gewaardeerd tegen reële waarde. Kortlopende schulden worden na eerste verwerking gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs, zijnde het ontvangen bedrag rekening houdend met agio of disagio en onder aftrek van transactiekosten. Dit is meestal de nominale waarde.    

Grondslagen voor bepaling van het resultaat

Rijksbijdragen, overige overheidsbijdragen en -subsidies

Rijksbijdragen, overige overheidsbijdragen en -subsidies uit hoofde van de basisbekostiging worden volledig verwerkt als baten in de staat van baten en lasten in het jaar waarop de toekenning betrekking heeft. Indien deze opbrengsten betrekking hebben op een specifiek doel, dan worden deze naar rato van de verrichte werkzaamheden verantwoord als baten.
Subsidies met betrekking tot investeringen in materiële vaste activa worden in mindering gebracht op het desbetreffende actief en als onderdeel van de afschrijvingen verwerkt in de staat van baten en lasten.

College-, cursus-, les- en examengelden

De college-, cursus-, les- en examengelden worden toegerekend aan het jaar waarop zij betrekking hebben, waarbij ervan uitgegaan is dat reguliere onderwijs- en onderzoekstaken gelijkmatig zijn gespreid over het studiejaar.

Baten werk in opdracht van derden

Opbrengsten uit het verlenen van diensten worden opgenomen in de netto-omzet tegen de reële waarde van de ontvangen of te ontvangen vergoeding, na aftrek van tegemoetkomingen en kortingen. Opbrengsten uit het verlenen van diensten worden in de winst-en-verliesrekening verwerkt wanneer het bedrag van de opbrengsten op betrouwbare wijze kan worden bepaald, de inning van de te ontvangen vergoeding waarschijnlijk is, de mate waarin de dienstverlening op balansdatum is verricht betrouwbaar kan worden bepaald en de reeds gemaakte kosten en de kosten die (mogelijk) nog moeten worden gemaakt om de dienstverlening te voltooien op betrouwbare wijze kunnen worden bepaald. Indien het resultaat van een bepaalde opdracht tot dienstverlening niet op betrouwbare wijze kan worden bepaald, worden de opbrengsten verwerkt tot het bedrag van de kosten van de dienstverlening die worden gedekt door de opbrengsten. Opbrengsten uit hoofde van verleende diensten worden in de winst-en-verliesrekening als netto-omzet opgenomen naar rato van het stadium van voltooiing van de transactie op verslagdatum. Het stadium van voltooiing wordt bepaald aan de hand van beoordelingen van de verrichte werkzaamheden / de tot dat moment verrichte dienstverlening als percentage van de totaal te verrichten dienstverlening / de tot dat moment gemaakte kosten in verhouding tot de geschatte kosten van de totaal te verrichten dienstverlening.

Overige bedrijfsopbrengsten

Overige bedrijfsopbrengsten bestaan uit baten uit verhuur, detachering, werken voor derden en overige baten. Opbrengsten uit hoofde van verleende diensten worden in de staat van baten en lasten als netto-omzet opgenomen naar rato van het stadium van voltooiing van de transactie op verslagdatum. Het stadium van voltooiing wordt bepaald aan de hand van de tot dat moment gemaakte kosten in verhouding tot de geschatte kosten van de totaal te verrichten dienstverlening.

Personeelsbeloningen

De beloningen van het personeel worden als last verantwoord in de staat van baten en lasten in de periode waarin de arbeidsprestatie wordt verricht en, voor zover nog niet uitbetaald, als verplichting opgenomen op de balans. Als de reeds betaalde bedragen de verschuldigde beloningen overtreffen, wordt het meerdere opgenomen als een overlopend actief voor zover er sprake zal zijn van terugbetaling door het personeel of van verrekening met toekomstige betalingen door de vennootschap.

Onder personeelslasten zijn begrepen de in het boekjaar verschuldigde salarissen, sociale lasten, pensioenpremies, inleenkrachten en overige personeelskosten, verminderd met de ontvangen uitkeringen van sociale fondsen. Voor de beloningen met opbouw van rechten en bonussen worden de verwachte lasten gedurende het dienstverband in aanmerking genomen. Een verwachte vergoeding ten gevolge van bonusbetalingen worden verantwoord indien de verplichting tot betaling van die vergoeding is ontstaan op of voor balansdatum en een betrouwbare schatting van de verplichtingen kan worden gemaakt.

Indien een beloning wordt betaald, waarbij geen rechten worden opgebouwd (bijvoorbeeld doorbetaling in geval van ziekte of arbeidsongeschiktheid) worden de verwachte lasten verantwoord in de periode waarover deze beloning is verschuldigd. Voor op balansdatum bestaande verplichtingen tot het in de toekomst doorbetalen van beloningen (inclusief ontslag-vergoedingen) aan personeelsleden die op balansdatum naar verwachting blijvend geheel of gedeeltelijk niet in staat zijn om werkzaamheden te verrichten door ziekte of arbeidsongeschikt-heid wordt een voorziening opgenomen. De verantwoorde verplichting betreft de beste schatting van de bedragen die noodzakelijk zijn om de desbetreffende verplichting op balansdatum af te wikkelen. De beste schatting is gebaseerd op contractuele afspraken met personeelsleden (CAO en individuele arbeidsovereenkomsten). Toevoegingen aan en vrijval van verplichtingen worden ten laste respectievelijk ten gunste van de winst-en-verliesrekening gebracht.

Ontslagvergoedingen zijn vergoedingen die worden toegekend in ruil voor de beëindiging van het dienstverband. Een uitkering als gevolg van ontslag wordt als verplichting en als last verwerkt als de onderneming zich aantoonbaar onvoorwaardelijk heeft verbonden tot betaling van een ontslagvergoeding. Als het ontslag onderdeel is van een reorganisatie, worden de kosten van de ontslagvergoeding opgenomen in een reorganisatievergoeding. Zie hiervoor de grondslag onder het hoofd Voorzieningen.  Ontslagvergoedingen worden gewaardeerd met inachtneming van de aard van de vergoeding. Als de ontslagvergoeding een verbetering is van de beloningen na afloop van het dienstverband, vindt waardering plaats volgens dezelfde grondslagen die worden toegepast voor pensioenregelingen. Andere ontslagvergoedingen worden gewaardeerd op basis van de beste schatting van de bedragen die noodzakelijk zijn om de verplichting af te wikkelen.

Pensioenregeling

De Stichting is aangesloten bij het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds (ABP). Het ABP is het bedrijfstakpensioenfonds voor overheidswerkgevers, waaronder onderwijsinstellingen. Deze pensioenregeling betreft een voorwaardelijk geïndexeerde middelloonregeling. Indexatie (aanpassing voor prijsstijging) van de toegekende aanspraken en rechten vindt uitsluitend plaats indien en voor zover de middelen van de pensioenuitvoerder daartoe ruimte laten en de pensioenuitvoerder daartoe heeft besloten. Indien de omstandigheden bij de pensioenuitvoerder daar aanleiding toe geven, kan het bestuur besluiten tot het korten van aanspraken.

Uitgangspunt is dat de in de verslagperiode te verwerken pensioenlast gelijk is aan de over die periode aan het pensioenfonds verschuldigde pensioenpremies. Voor zover de verschuldigde premies op balansdatum nog niet zijn voldaan, wordt hiervoor een verplichting opgenomen. Als de op balansdatum reeds betaalde premies de verschuldigde premies overtreffen, wordt een overlopende actiefpost opgenomen voor zover sprake zal zijn van terugbetaling door het fonds of van verrekening met in de toekomst verschuldigde premies.

Dekkingsgraad

Door de kredietcrisis en de dalende rente in het afgelopen jaar bevindt de pensioenuitvoerder zich per balansdatum 2019 in een reservetekort. De dekkingsgraad (marktwaarde van de beleggingen uitgedrukt in een percentage van de voorziening pensioenverplichtingen volgens de grondslagen van DNB) van het fonds per balansdatum was 97,8%. Het minimaal vereiste eigen vermogen (dekkingsgraad) volgens DNB is 104,2%. Het vereiste eigen vermogen, gegeven de huidige beleggingsmix, bedraagt 128%.

Leasing

De Stichting kan financiële en operationele leasecontracten afsluiten. Een leaseovereenkomst waarbij de voor- en nadelen verbonden aan het eigendom van het leaseobject geheel of nagenoeg geheel door de lessee worden gedragen, wordt aangemerkt als een financiële lease. Alle andere leaseovereenkomsten classificeren als operationele leases. Bij de leaseclassificatie is de economische realiteit van de transactie bepalend en niet zozeer de juridische vorm. Bij de Stichting is geen sprake van financiële leasecontracten.

Operational lease

Als de Stichting optreedt als lessee in een operationele lease, wordt het leaseobject niet geactiveerd. Vergoedingen die worden ontvangen als stimulering voor het afsluiten van een overeenkomst worden verwerkt als een vermindering van de leasekosten over de leaseperiode. Leasebetalingen en vergoedingen inzake operationele leases worden lineair over de leaseperiode gebracht ten laste respectievelijk ten gunste van de staat van baten en lasten, tenzij een andere toerekeningsystematiek meer representatief is voor het patroon van de met het leaseobject te verkrijgen voordelen.

Hogeschool Viaa maakt voor één auto en voor de printers en kopieermachines gebruik van leaseovereenkomsten. De vergoeding die hier betaald wordt, betreft een vergoeding voor het gebruik (huur inclusief onderhoud) van deze activa. De resterende contracttermijn is vermeld bij de niet uit de balans blijkende verplichtingen.

Rentebaten en soortgelijke opbrengsten en rentelasten en soortgelijke kosten

Rentebaten worden verantwoord in de periode waartoe zij behoren, rekening houdend met de effectieve rentevoet van de desbetreffende actiefpost. Rentelasten en soortgelijke lasten worden verantwoord in de periode waartoe zij behoren.

Toelichting op het kasstroomoverzicht

Het kasstroomoverzicht is opgesteld volgens de indirecte methode. Ontvangsten en uitgaven uit hoofde van interest zijn opgenomen onder de kasstroom uit operationele activiteiten.

Bepaling reële waarde

De reële waarde van een financieel instrument is het bedrag waarvoor een actief kan worden verhandeld of een passief kan worden afgewikkeld tussen ter zake goed geïnformeerde partijen, die tot een transactie bereid en van elkaar onafhankelijk zijn.

Gebeurtenissen na balansdatum

Gebeurtenissen die nadere informatie geven over de feitelijke situatie per balansdatum en die blijken tot aan de datum van het opmaken van de jaarrekening worden verwerkt in de jaarrekening.

Toelichting behorende tot de balans

1.2 Materiële vaste activa

Alle bedragen x € 1.000

1.2 Materiële vaste activa
    Aan-schaf-prijs Cum. afschrij-vingen Boek-waarde 01-01 Investe-ringen Des-investe-ringen Afschrij-vingen Cum. Aanschaf-prijs Cum. afschrij-vingen Boek-waarde 31-12 Afschrij-vings-percen-tages
1.2.1 Gebouwen, verbouwing en groot onderhoud                    
  Gebouwen 1.386 1.090 296 - - 46 1.386 1.136 250 3
  Verbouwing (excl. renovatie) 11.579 2.019 9.560 1.614 - 534 13.193 2.553 10.640 5
  Groot onderhoud 516 402 114 3 - 14 519 416 103 3-20
  Terreinen 495 - 495 - - - 495 - 495 0
  Totaal 13.976 3.511 10.465 1.617 - 594 15.593 4.105 11.488 3-20
                       
1.2.2 Inventaris en apparatuur                    
  Technische installaties 326 227 99 3 - 30 329 257 72 20
  Meubilair 1.068 761 307 85 - 68 1.153 829 324 10
  Hard- en software 2.188 1.571 617 127 - 311 2.315 1.882 433 20-25
  Kantoorinstallaties 50 46 4 - - 2 50 48 2 20
  Audiovisuele middelen 381 256 125 6 - 51 387 307 80 20
  Totaal 4.013 2.861 1.152 221 - 462 4.234 3.323 911 10-25
                       
                       
    17.989 6.372 11.617 1.838 - 1.056 19.827 7.428 12.399 3-25

De investeringen in 2019 betroffen hoofdzakelijk de investering in de slottermijnen van de renovatie fase 1 en de start van fase 2, Met ingang van september 2018 is de renovatie fase 1 in gebruik genomen en wordt vanaf dat moment tevens afgeschreven. Het onroerend goed gelegen aan de Wethouder Alferinkweg 2 (voorheen Grasdorpstraat 2) te Zwolle dient als onderpand voor de hypotheekovereenkomsten.

WOZ en verzekerde waarde gebouwen:
WOZ-waarde gebouwen en terreinen, d.d. 1 januari 2019 (in hele euro’s):            € 5.721.000
Verzekerde waarde gebouwen, d.d. 1 januari 2020 (in hele euro’s):                      € 31.596.141

De verzekerde waarde van de gebouwen is op basis van de herbouwkosten.

1.4 Voorraden en onderhanden projecten

Alle bedragen x € 1.000

1.4 Voorraden en onderhanden projecten
      31-12-2019   31-12-2018
1.4.1 Gebruiksgoederen        
  Verkrijgingsprijs gebruiksgoederen 18   19  
  Af: voorziening voor incourantheid -   -  
  Totaal gebruiksgoederen   18   19
           
1.4.3 Onderhanden projecten   29   72
      47   91
           

De onderhanden projecten betreffen voornamelijk contracten welke zijn overeengekomen met derde partijen en regelmatig een langere periode beslaan, zoals bijvoorbeeld adviesdienstverlening in het primair onderwijs.
 

1.5 Vorderingen

Alle bedragen x € 1.000

1.5 Vorderingen
      31-12-2019   31-12-2018
1.5.1 Debiteuren   312   369
1.5.7 Overige vorderingen   97   26
1.5.8 Overlopende activa        
  Vooruitbetaalde kosten en te ontvangen rente 281   347  
  Totaal overlopende activa   281   347
1.5.9 Af: voorziening wegens oninbaarheid   ‑13   ‑18
      677   724

Het verloop van de voorziening wegens oninbaarheid is als volgt:

Alle bedragen x € 1.000

      2019   2018
  Stand per 1 januari   18   13
  Onttrekking   ‑5   ‑2
  Vrijval   -   -
  Dotatie   -   7
  Stand per 31 december   13   18

De looptijd van alle vorderingen is korter dan 1 jaar.

1.7 Liquide middelen

Alle bedragen x € 1.000

1.7 Liquide middelen
      31-12-2019   31-12-2018
1.7.1 Kasmiddelen   -   -
1.7.2 Tegoeden op bank- en girorekeningen   4.512   4.746
      4.512   4.746

Alle tegoeden op bank- en girorekeningen zijn vrij opneembaar.

2.1 Eigen vermogen

Alle bedragen x € 1.000

2.1 Eigen vermogen
    Stand per 01-01-2019 Resultaat boekjaar Overige mutaties Stand per 31-12-2019
2.1.1 Algemene reserve (publiek) 5.279 ‑25 - 5.254
2.1.3 Bestemmingsreserve private activiteiten (privaat) 489 80 - 569
    5.768 55 - 5.823

De algemene reserve dient om fluctuaties in de exploitatie te kunnen opvangen en dient tevens als buffer voor de financiële gevolgen van risico’s die Hogeschool Viaa loopt.

De bestemmingsreserve private activiteiten wordt gevoed uit de resultaten van diverse activiteiten en dient om ontwikkelingen op deze gebieden mogelijk te maken. Het gaat voornamelijk om de volgende activiteiten:

  • Cursus POH (praktijkondersteuner huisartsen)
  • De opleiding Godsdienstleraar
  • Bijbelonderwijsmethode Levend Water
  • Diverse nascholingsprogramma's
  • Overige commerciële dienstverlening




Voorstel tot resultaatbestemming:

Alle bedragen x € 1.000

    2019
  Hogeschool Viaa heeft geen resultaatbestemming opgenomen in haar statuten. Voorgesteld wordt het resultaat als volgt te bestemmen:  
     
  Resultaat ten gunste an de algemene reserve ‑25
  Resultaat ten gunste van de bestemmingsreserve Private activiteiten 80
    55

2.2 Voorzieningen

Alle bedragen x € 1.000

2.2 Voorzieningen
    Stand per 01-01 Dotatie Onttrek-king Vrijval Stand per 31-12 Kort-lopend deel < 1 jaar Lang-lopend deel > 1 jaar
2.2.1 Personeelsvoorzieningen              
  Spaarverlof 20  - - - 20  - 20 
  Jubilea 86  10  11  83  75 
  CAO-verplichtingen vertrekkend personeel 494  98  187  93  312  118  194 
  Langdurig zieken 243  29  218  - 54  51 
  Duurzame inzetbaarheid 34  18  13  - 39  - 39 
  Werktijdvermindering senioren 323  155  142  39  296  91  205 
  Totaal personeelsvoorzieningen 1.200  310  571  134  804  268  536 

De voorziening spaarverlof betreft in het verleden opgebouwde verlofrechten van één medewerker.

De voorziening voor jubilea is gevormd voor de verwachte toekomstige uitgaven aan jubilarissen uit hoofde van de cao.

De voorziening cao verplichtingen vertrekkend personeel is opgebouwd uit verplichtingen aan enkele individuele medewerkers. De voorziening wordt met name gevormd voor verplichtingen die ontstaan zijn doordat personeel niet langer in dienst is bij Hogeschool Viaa en er (bovenwettelijke) WW-verplichtingen zijn.

De voorziening voor langdurig zieken wordt opgenomen voor toekomstige verplichtingen met betrekking tot langdurig zieke medewerkers waarvan wordt verwacht dat deze niet (geheel) zullen terugkeren in het arbeidsproces. Niet opgenomen in deze voorziening zijn de uit te betalen transitievergoedingen voor deze personen ter grootte van € 166.000. De reden hiervan is dat deze vergoedingen volledig worden vergoed door het UWV vanwege een wettelijke regeling.

De voorziening voor duurzame inzetbaarheid betreft een voorziening voor niet ingezette uren duurzame inzetbaarheid welke naar verwachting ingezet worden voor een 'sabbatical'. Voor de overige niet ingezette uren dient geen voorziening te worden gevormd, dit is conform de communicatie van de Vereniging Hogescholen.

De voorziening werktijdvermindering senioren wordt opgenomen voor toekomstige verplichtingen met betrekking tot medewerkers die gebruikmaken van de voormalige Seniorenregeling onderwijspersoneel (SOP) of de Regeling werktijdvermindering senioren (WS). De genoten werktijdvermindering wordt namelijk gedeeltelijk door de medewerker en gedeeltelijk door Hogeschool Viaa bekostigd.

2.3 Langlopende schulden

Alle bedragen x € 1.000

2.3 Langlopende schulden
    Stand per 01-01 Aange-gane leningen Aflos-singen Stand per 31-12 Looptijd < 1 jaar Looptijd >1 jaar en < 5 jaar Looptijd > 5 jaar Lang-lopende schuld per 31-12 Rente
2.3.3 Kredietinstellingen                  
  Energiefonds 3.905  984  221  4.668  221  884  3.563  4.447  2,5 
  ASN Bank 2.900  - 200  2.700  200  800  1.700  2.500  2,2 
  Totaal kredietinstellingen 6.805  984  421  7.368  421  1.684  5.263  6.947   

Energiefonds:
Dit betreft de in 2016 aangegane hypotheekovereenkomst met de Provincie Overijssel, vertegenwoordigd door het Energiefonds Overijssel II B.V., in het kader van de renovatie van het schoolgebouw te Zwolle. Onttrekkingen uit het bouwdepot vonden plaats tussen medio 2017 en 2019. Het kortlopend deel van de langlopende lening bedraagt € 221.000.

De lening kent een hoofdsom van € 5.000.000, een looptijd van 15 jaar en een rentevergoeding van 2,5% per jaar, vast voor de gehele looptijd. Als zekerheid is in de hypotheekakte opgenomen het schoolgebouw en de bijbehorende terreinen aan de Assendorperdijk 11 te Zwolle. De verstrekte zekerheid bedraagt € 11.200.000, te weten € 8.000.000 hoofdsom en € 3.200.000 (40%) rente en kosten.

ASN Bank:
Dit betreft de in 2018 aangegane hypotheekovereenkomst met Pettelaar Effectenbewaarbedrijf N.V., vertegenwoordigd door de ASN Bank (Groenprojectenpool), waarin een deel van de oorspronkelijke hoofdsom van de lening van het Energiefonds Overijssel II B.V. is overgenomen door de ASN Bank.

De lening kent een hoofdsom van € 3.000.000, een looptijd van 15 jaar en een rentevergoeding van 2,7% verminderd met 0,5% groenkorting, zijnde 2,2% vast voor de gehele looptijd. De verstrekte zekerheden betreffen:

  • een bestaande eerste bankhypotheek van € 8.000.000 te vermeerderen met rente en kosten, op het schoolgebouw met ondergrond, erf, tuin en verder aan- en toebehoren, plaatselijk bekend Assendorperdijk 11, 8012 EG Zwolle.
  • een bestaand eerste pandrecht op alle huidige en toekomstige rechten en vorderingen uit de aanneemovereenkomst.

Door de gedeeltelijke overname van het krediet van Energiefonds Overijssel II B.V. door Pettelaar Effectenbewaarbedrijf N.V. zijn de beide financiers gezamenlijk begunstigde geworden van het zekerheidsrecht. De zekerheden zullen strekken tot zekerheid van de vordering van Pettelaar Effectenbewaarbedrijf N.V. alsmede de vordering van Energiefonds Overijssel II.B.V. 

De hypotheekverstrekkers vereisen dat de DSCR (Debt Service Coverage Ratio) van de geldleningen ten minste 1,0 bedraagt tot aan het einde van de looptijd. De DSCR houdt in het in één periode gerealiseerd resultaat (de EBITDA verminderd door belastingen) gedeeld door de in die periode verschuldigde rente en aflossingen. Voor het jaar 2019 bedraagt de DSCR 3,2 (2018: 3,4).

2.4 Kortlopende schulden

Alle bedragen x € 1.000

2.4 Kortlopende schulden
      31-12-2019   31-12-2018
2.4.3 Crediteuren   517   620
           
2.4.7 Belastingen en premies sociale verzekeringen        
  Loonheffing 569   499  
  Omzetbelasting 6   5  
  Totaal belastingen en premies sociale verzekeringen   575   504
           
2.4.8 Schulden uit hoofde van pensioenen   163   137
           
2.4.9 Kredietinstellingen   421   421
           
2.4.10 Overlopende passiva        
  Vooruit ontvangen collegegelden 1.379   1.212  
  Vooruitontvangen geoormerkte subsidies 230   100  
  Vooruit ontvangen overige subsidies 176   150  
  Vakantiegeld en –dagen 484   477  
  Diversen 116   205  
  Totaal overlopende passiva   2.385   2.144
      4.061   3.826

De looptijd van alle kortlopende schulden is korter dan 1 jaar.

Niet in de balans opgenomen rechten en verplichtingen

Niet in de balans opgenomen rechten en verplichtingen
  Betalingen binnen 1 jaar Betalingen tussen 2 en 5 jaar Betalingen na 5 jaar
Een huur- en onderhoudscontract multifunctionele afdrukapparatuur met Leferink Document Works. Dit contract loopt tot en met 21 november 2022. € 19.406 € 37.195 -
Een contract inzake schoonmaakdiensten met Novon Schoonmaak Gebouwen. Het huidige contract loopt tot 1 april 2020. € 33.736 - -
Huurcontracten inzake kantoor- en parkeerruimte Weezenlandstaete. € 216.135 € 601.119 € 72.633
Per 31 december 2019 is voor een bedrag van € 22.716 aan bankgaranties verstrekt.      

Gebeurtenissen na balansdatum

De uitbraak van Covid-19 heeft zich in 2020 razendsnel ontwikkeld. Maatregelen die door diverse overheden zijn genomen om het virus in te perken hebben negatieve gevolgen gehad voor de (economische activiteit). Wij hebben een aantal maatregelen genomen om de effecten van het Covid-19-virus te bewaken en te voorkomen, zoals veiligheids- en gezondheidsmaatregelen voor onze medewerkers (zoals beperking van sociale contacten en vanuit huis werken) en het aanbieden van lesstof voor de leerlingen via de digitale leeromgeving. In dit stadium zijn de gevolgen voor onze activiteiten en onze resultaten beperkt. Wij zullen het beleid en het advies van de diverse nationale instellingen blijven volgen en zullen tegelijkertijd ons uiterste best doen om onze activiteiten zo goed en veilig mogelijk voort te zetten zonder daarbij de gezondheid van onze medewerkers in gevaar te brengen.

Wij verwijzen tevens naar de toelichting in de paragraaf Continuïteit van dit jaarverslag.

Model G

G1 Verantwoording van subsidies zonder verrekeningsclausule

Model G
  Kenmerk toewijzing Datum toewijzing Bedrag van toewijzing Ontvangen t/m 2019 Geheel uitgevoerd en afgerond
Doorstroomprogramma mbo-hbo DHBO17003 23-10-2017 € 105.101 € 105.101 Ja
Regionale aanpak lerarentekort RAL19030 13-09-2019 € 249.675 € 249.675 Nee
Regeling Lerarenbeurs voor scholing en zij-instroom '18-'19 928093-1 20-09-2018 € 80.544 € 80.544 Ja
Regeling Lerarenbeurs voor scholing en zij-instroom '19-'20 1006195-1 20-09-2019 € 19.968 € 19.968 Nee
      € 455.288 € 455.288  

(Regeling ROS art. 13, lid 2 sub a en EL&I regelingen betrekking hebbend op de EL&I subsidies)

Toelichting behorende tot de staat van baten en lasten

3.1 Rijksbijdragen

Alle bedragen x € 1.000

3.1 Rijksbijdragen
      2019   Begroting 2019   2018
3.1.1 Rijksbijdrage OCW   11.900   11.458   11.707
               
3.1.2 Overige subsidies OCW            
  OCW-subsidies   409   269   622
  Inkomensoverdrachten *   ‑188   PM   ‑263
  Totaal overige subsidies OCW   221   269   359
               
  Totaal Rijksbijdragen   12.121   11.727   12.066

* Door middel van declaraties worden subsidiegelden overgedragen aan andere onderwijsinstellingen die participeren in enkele subsidietrajecten.

Opbouw Rijksbijdrage OCW

Opbouw Rijksbijdrage OCW
      2019   Begroting 2019   2018
  Basisbedrag per student   6.302   6.057   6.175
  Opslag onderwijs en kwaliteit   709   683   508
  Opslag prestatie bekostiging   469   459   430
               
  Totaal per student   7.480   7.199   7.113
  Aantal studenten en graden   1.548   1.548   1.601
               
  Alle bedragen x € 1.000            
  Basis Rijksbijdrage   11.579   11.144   11.388
               
  Pabo-up   32   31   34
  Lectoraten   289   283   285
               
  Rijksbijdrage   11.900   11.458   11.707

Het verschil tussen de begroting en de realisatie wordt met name veroorzaakt door de gewijzigde bedragen per student door een aanpassing voor loon- en prijsindexatie en de referentieraming aantal studenten.

3.3 Collegegelden

Alle bedragen x € 1.000

3.3 Collegegelden
      2019   Begroting 2019   2018
3.3.1 Collegegelden   2.690   3.044   2.690
               
  Aantal studenten op 1 oktober   1.730   1.640   1.566
  Gemiddeld per student   1.555   1.856   1.718

3.4 Baten werk in opdracht van derden

Alle bedragen x € 1.000

3.4 Baten werk in opdracht van derden
      2019   Begroting 2019   2018
3.4.1 Omzet baten werk in opdracht van derden   1.118   1.275   943
3.4.2 Inkoop en inhuur derden   ‑240   PM   ‑269
3.4.3 Wijzigingen onderhanden projecten   457   PM   579
               
  Totaal baten werk in opdracht van derden   1.335   1.275   1.253

Wijziging presentatie onderhanden projecten (werk in opdracht van derden):
De aard van de contracten voldoen aan de definitie om als onderhanden project gepresenteerd en verwerkt te worden in de jaarrekening. Met ingang van 2017 worden onderhanden projecten ook op deze wijze verwerkt in de jaarrekening, Vanwege een andere opbouw van de begroting 2019 is het niet mogelijk om deze nieuwe indeling ook daarvoor te hanteren, derhalve zijn de nieuwe rubrieken aangeduid met PM. De onderhanden projecten betreffen voornamelijk contracten welke zijn overeengekomen met derde partijen en regelmatig een langere periode beslaan, zoals bijvoorbeeld adviesdienstverlening in het primair onderwijs.

3.5 Overige baten

Alle bedragen x € 1.000

3.5 Overige baten
      2019   Begroting 2019   2018
3.5.1 Verhuur   10   10   15
3.5.2 Detachering personeel   41   18   105
3.5.3 Opbrengsten catering   70   65   59
3.5.5 Diversen   381   164   243
               
  Totaal overige baten   502   257   422

De hogere diverse baten dan begroot worden met name veroorzaakt door een teruggave Omzetbelasting over 2015-2018, welke op basis van van een ingediend teruggaafverzoek voor Pro Rata-aftrek bij de Belastingdienst is teruggevorderd, voor een totaal bedrag ad € 185.000 waar in de begroting geen rekening mee is gehouden.
Onder de overige baten wordt € 70.000 opbrengst catering gepresenteerd, onder de overige lasten worden de kosten catering ad € 144.000 gepresenteerd. Per saldo bedraagt de marge op catering negatief € 74.000.

4.1 Personeelslasten

Alle bedragen x € 1.000

4.1 Personeelslasten
      2019   Begroting 2019   2018
4.1.1 Lonen en salarissen            
  Brutolonen en salarissen   9.135   8.717   8.520
  Sociale lasten   1.261   2.556   1.131
  Pensioenpremies   1.423   PM   1.249
  Totaal lonen en salarissen   11.819   11.273   10.900
               
4.1.2 Overige personele lasten            
  Dotaties personele voorzieningen   310   -   697
  Ten laste van voorzieningen   ‑571   ‑226   ‑354
  Vrijval uit voorzieningen   ‑134   -   ‑34
  Personeel niet in loondienst   570   579   602
  Deskundigheidsbevordering   250   275   271
  Reiskosten   157   128   145
  Catering en vergaderkosten   57   32   33
  Werving & Selectie   40   10   14
  Arbo   57   51   36
  Overig   129   114   226
  Totaal overige personele lasten   865   963   1.636
               
4.1.3 Af: uitkeringen   ‑34   ‑122   ‑123
               
  Totaal personeelslasten   12.650   12.114   12.413
               
  Gemiddeld aantal fte   153,9   148,8   148,0
  Gemiddeld loon en salarissen per fte   77   76   74
  Totaal personeelskosten (exclusief inhuur en uitkeringen) per fte   79   78   81
               

In 2019 zien we een hoger aantal FTE dan begroot en daarmee ook een hoger totaal van lonen en salarissen. 
Voor mutaties in de personele voorzieningen wordt verwezen naar de toelichting op de balans.

4.2 Afschrijvingen

Alle bedragen x € 1.000

4.2 Afschrijvingen
      2019   Begroting 2019   2018
4.2.1 Gebouwen, verbouwing en groot onderhoud            
  Gebouwen   46   49   46
  Verbouwing   534   509   180
  Groot onderhoud   14   20   23
  Totaal gebouwen, verbouwing en groot onderhoud   594   578   249
               
4.2.2 Inventaris en apparatuur            
  Technische installaties   30   39   40
  Meubilair   68   71   75
  Hardware en software   311   331   338
  Kantoorinstallaties   2   2   3
  Audiovisuele middelen   51   52   54
  Totaal inventaris en apparatuur   462   495   510
               
  Totaal afschrijvingen   1.056   1.073   759

4.3 Huisvestingslasten

Alle bedragen x € 1.000

4.3 Huisvestingslasten
      2019   Begroting 2019   2018
4.3.1 Huur   224   231   296
4.3.2 Verzekeringen   37   53   56
4.3.3 Onderhoud   110   72   140
4.3.4 Energie en water   107   170   136
4.3.5 Schoonmaakkosten   198   175   212
4.3.6 Heffingen   37   35   33
               
  Totaal huisvestingslasten   713   736   873

4.4 Overige lasten

Alle bedragen x € 1.000

4.4 Overige lasten
      2019   Begroting 2019   2018
4.4.1 Administratie- en beheerslasten            
  Kantoorkosten   30   31   38
  Reprokosten   56   46   42
  Portikosten   45   30   37
  Communicatiekosten   15   20   25
  Documentatiekosten   2   3   4
  MR en Raad van Toezicht   17   5   3
  Bankkosten   4   4   2
  Accountants- en advieskosten *   81   158   187
  Kosten accreditering   107   152   21
  Contributies   186   148   147
  Totaal administratie- en beheerslasten   543   597   506
               
4.4.2 Inventaris, apparatuur en leermiddelen            
  Kosten hard- en software   543   514   554
  Leermiddelen   78   97   61
  Overig   34   36   31
  Totaal inventaris, apparatuur en leermiddelen   655   647   646
               
4.4.3 Dotatie voorzieningen op vorderingen   4   0   7
               
4.4.4 Overige            
  Dienstreizen   83   93   78
  Cateringkosten   144   140   144
  Marketing en Communicatie   282   312   339
  Excursies, werkweken en stages   58   114   75
  Projectkosten   84   80   106
  Overig   155   122   113
  Totaal overige   806   861   855
               
  Totaal overige lasten   2.008   2.105   2.014

* De volgende honoraria van KPMG Accountants N.V. zijn ten laste gebracht van de Stichting, een en ander zoals bedoeld in artikel 2.382a lid 1 en 2 BW:

Alle bedragen * € 1.000

      2019   Begroting 2019   2018
  KPMG Accountants N.V.            
  Onderzoek van de jaarrekening   0   65   65
  Nagekomen lasten voorgaand boekjaar   ‑2       12
  Adviesdienst op fiscaal terrein   10       5
      8   65   82
               
  A12 Registeraccountants B.V.            
  Onderzoek van de jaarrekening   50        
  Nagekomen lasten voorgaand boekjaar            
  Adviesdienst op fiscaal terrein            
      50   0   0

De in de tabel vermelde honoraria voor het onderzoek van de jaarrekening 2019 (2018) hebben betrekking op de totale honoraria voor het onderzoek van de jaarrekening 2019 (2018), ongeacht of de werkzaamheden al gedurende het boekjaar 2019 (2018) zijn verricht.

5 Financiële baten en lasten

Alle bedragen x € 1.000

5 Financiële baten en lasten
      2019   Begroting 2019   2018
5.1 Rentebaten   6   0   6
5.2 Rentelasten   ‑172   ‑187   ‑121
  Totaal financiële baten en lasten   ‑166   ‑187   ‑115

Private resultaten

Alle bedragen x € 1.000

Private resultaten
                   
      EA-advies   POH   GL   Totaal
  Specificatie private resultaten 2019                
  Opbrengsten   491   151   25   667
  Kosten   ‑382   ‑180   ‑25   ‑587
  Resultaat 2019   109   ‑29   0   80
                   
  Specificatie private resultaten 2018                
  Opbrengsten   532   131   20   683
  Kosten   ‑494   ‑132   ‑22   ‑648
  Resultaat 2018   38   ‑1   ‑2   35

Onder EA-advies is opgenomen: nascholing en advisering. De POH betreft de opleiding Praktijkondersteuner huisartsenpraktijk en ouderenzorg, GL betreft de niet-bekostigde opleiding Godsdienstleraar. Het totaal van het resultaat over 2019 ad €80.000 is toegevoegd aan de bestemmingsreserve private activiteiten.

Model E: verbonden partijen

Van transacties met verbonden partijen is sprake wanneer een relatie bestaat tussen de Stichting en een natuurlijk persoon of entiteit die verbonden is met de Stichting. Dit betreffen onder meer de relaties tussen de Stichting en haar deelnemingen, de bestuurders en de functionarissen op sleutelposities. Onder transacties wordt verstaan een overdracht van middelen, diensten of verplichtingen, ongeacht of er een bedrag in rekening is gebracht.

Transacties met verbonden partijen worden toegelicht voor zover deze niet onder normale marktvoorwaarden zijn aangegaan. Van deze transacties wordt de aard en de omvang van de transactie en andere informatie die nodig is voor het verschaffen van het inzicht toegelicht.

In 2019 was er van Hogeschool Viaa geen sprake van verbonden partijen in het kader van hetgeen hierboven is toegelicht. 

Bezoldiging van bestuurders en toezichthouders model WNT

Per 1 januari 2013 is de Wet normering bezoldiging topfunctionarissen publieke en semipublieke sector (WNT) ingegaan. Deze verantwoording is opgesteld op basis van de volgende op Hogeschool Viaa van toepassing zijnde regelgeving.

Het bezoldigingsmaximum in 2019 voor Hogeschool Viaa is € 152.000. Dit geldt naar rato van de duur en/of omvang van het dienstverband. Voor topfunctionarissen zonder dienstbetrekking geldt met ingang van 1 januari 2016 voor de eerste 12 kalendermaanden een afwijkende normering, zowel voor de duur van de opdracht als voor het uurtarief. Hogeschool Viaa had in 2019 geen topfunctionarissen zonder dienstbetrekking.

1. Bezoldiging topfunctionarissen

1a. Leidinggevende topfunctionarissen en gewezen topfunctionarissen met dienstbetrekking. Tevens leidinggevende topfunctionarissen zonder dienstbetrekking vanaf de 13e maand van de functievervulling.

Bedragen x € 1

  2019   2019   2019
  J.D. Schaap   D. Wakker   A.R. Langenberg-Klok
           
Functiegegevens Voorzitter/lid CvB   Voorzitter CvB   Voorzitter CvB a.i.
Aanvang en einde functievervulling 1/1 - 31/12 * 1/8 - 31-12   1/1 - 31/7
Omvang dienstverband (in fte) 1 FTE   1 FTE   0,35 FTE
Gewezen topfunctionaris? Nee   Nee   Nee
(Fictieve) dienstbetrekking? Ja   Ja   Ja
           
Individueel WNT-maximum[2] 152.000    63.333    31.033 
           
Beloning plus belastbare onkostenvergoedingen 124.782    48.189    19.942 
Beloningen betaalbaar op termijn 19.006    8.061    4.129 
Subtotaal 143.788    56.250    24.071 
           
-/- Onverschuldigd betaald bedrag -   -   -
           
Totaal bezoldiging 143.788    56.250    24.071 
           
Verplichte motivering indien overschrijding N.v.t.   N.v.t.   N.v.t.
           
Gegevens 2018          
Aanvang en einde functievervulling in 2018 1/1 - 31/12   N.v.t.   5/1 - 31/12
Omvang dienstverband (in fte) 1 FTE   N.v.t.   0,4 FTE
(Fictieve) dienstbetrekking? Ja   N.v.t.   Ja
           
Individueel WNT-maximum[2] 146.000    N.v.t.   57.760 
           
Beloning plus belastbare onkostenvergoedingen 124.916    N.v.t.   37.979 
Beloningen betaalbaar op termijn 17.993    N.v.t.   5.761 
Totaal bezoldiging 2018 142.909    N.v.t.   43.740 

* De heer J.D. Schaap heeft tot en met 31 juli 2019 de functie van voorzitter CvB ingevuld. Vanaf 1 augustus is de functie van Voorzitter overgenomen door de heer D. Wakker en betreft de functie van de heer J.D. Schaap Lid van het CvB.

1b. Leidinggevende topfunctionarissen zonder dienstbetrekking kalendermaand 1-12

Betreffende categorie is niet van toepassing op Hogeschool Viaa voor de jaren 2019 en 2018.

1c. Toezichthoudende topfunctionarissen

Bedragen x € 1

  C.S. Balken-ende A. Poolen-van den Brink J.S. van den Berg R.D. Schoon-beek G.J.M. Segers T. Abbo
Functiegegevens Voorzitter Lid Lid Lid Lid Lid
Aanvang en einde functievervulling in 2019 1/1 – 31/12 1/1 – 31/12 1/1 – 31/12 1/1 – 31/12 1/1 – 31/12 1/1 – 31/12
             
Individueel WNT-maximum[2] 22.800  15.200  15.200  15.200  15.200  15.200 
             
Beloning plus belastbare onkostenvergoedingen 16.870  14.059  11.247  14.058  11.247  13.244 
Beloningen betaalbaar op termijn - - - - - -
Subtotaal 16.870  14.059  11.247  14.058  11.247  13.244 
             
-/- Onverschuldigd betaald bedrag - - - - - -
             
Totaal bezoldiging 2019 16.870  14.059  11.247  14.058  11.247  13.244 
             
Verplichte motivering indien overschrijding N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t. N.v.t.
             
Gegevens 2018            
Aanvang en einde functievervulling in 2018 1/1 – 31/12 1/1 – 31/12 1/1 – 31/12 1/1 – 31/12 1/1 – 31/12 1/1 – 31/12
             
Beloning plus belastbare onkostenvergoedingen 14.999  10.999  9.999  11.000  9.999  10.999 
Beloningen betaalbaar op termijn - - - - - -
Totaal bezoldiging 2018 14.999  10.999  9.999  11.000  9.999  10.999 

2. Uitkeringen wegens beëindiging dienstverband aan topfunctionarissen met of zonder dienstbetrekking

Betreffende categorie is niet van toepassing op Hogeschool Viaa voor de jaren 2019 en 2018.

3. Overige rapportageverplichtingen op grond van de WNT

Naast de hierboven vermelde topfunctionarissen zijn er geen overige functionarissen met dienstbetrekking die in 2019 een bezoldiging boven het individuele WNT-maximum hebben ontvangen. Er zijn in 2019 geen ontslaguitkeringen betaald aan overige functionarissen die op grond van de WNT dienen te worden vermeld, of die in eerdere jaren op grond van de WOPT of de WNT vermeld zijn of hadden moeten worden.

Ondertekening


De raad van toezicht van de Stichting Hogeschool Viaa heeft het jaarverslag en de jaarrekening 2019 van de Stichting Hogeschool Viaa te Zwolle goedgekeurd op 17 april 2020.
 

Ing. C.S. Balkenende MBA, voorzitter

Dr. ir. J.S. van den Berg, lid

R.D. Schoonbeek RA, lid 

T. Abbo LLM, lid

A. Poolen-Van den Brink MHBA, lid

Drs. G.J.M. Segers, lid

 

 

Het College van Bestuur van de Stichting Hogeschool Viaa heeft het jaarverslag en de jaarrekening 2019 van de Stichting Hogeschool Viaa alsmede van de instelling Viaa-Gereformeerd Hoger Onderwijs Zwolle vastgesteld op 17 april 2020.
    

Drs. D. Wakker MME
voorzitter